Ad Hoc Vraag over de screening van niet-begeleide minderjarigen
Deze ad hoc vraag onderzoekt welke actoren verantwoordelijk zijn voor het toezicht op de grondrechten van niet-begeleide minderjarigen tijdens de screening in de lidstaten, en of kinderombudsdiensten daarin een rol spelen. De ad hoc vraag gaat na of kinderombudsdiensten tijdens de screening worden geraadpleegd, of zij onaangekondigde bezoeken brengen aan de voorzieningen waar niet-begeleide minderjarigen worden opgevangen, of zij de kinderen vertrouwelijk kunnen spreken en of zij tijdens de screening toegang hebben tot documenten over de kinderen.
Download publication
Achtergrond:
Krachtens de screeningverordening moeten de lidstaten een onafhankelijk mechanisme instellen om toe te zien op de naleving van de grondrechten bij de screening van verzoekers om internationale bescherming aan de buitengrenzen. Luxemburg heeft de nationale ombudsman aangewezen om deze rol op zich te nemen, ook voor de screening van niet-begeleide minderjarigen. De Luxemburgse ombudsman voor kinderen en jongeren wenst inzicht te krijgen in de manier waarop dit mechanisme in de lidstaten zal worden uitgevoerd en welke rol kinderombudsdiensten daarbij naar verwachting zullen spelen.
Respondenten:
22 EMN-leden en waarnemende landen (waaronder BE) hebben een openbaar antwoord verstrekt op deze ad hoc vraag.
Bevindingen:
Een voorlopige analyse van de resultaten van de ad hoc vraag toont aan dat:
- In de overgrote meerderheid van de EMN-leden, waaronder BE, is dezelfde actor verantwoordelijk voor het toezicht op de grondrechten tijdens de screening voor alle doelgroepen, met inbegrip van niet-begeleide minderjarigen. In NL verschillen de autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor het toezicht op de grondrechten tijdens de screening echter van de autoriteiten die belast zijn met het waarborgen van de grondrechten van niet-begeleide minderjarigen tijdens de screening. Op het moment van de ad hoc vraag hadden enkele EMN-leden de verantwoordelijke autoriteit voor het onafhankelijke toezichtsmechanisme nog niet aangewezen.
- In de meeste EMN-leden, waaronder BE, is geen specifieke rol voorzien voor de kinderombudsman binnen het nationale onafhankelijke toezichtsmechanisme voor de screening. Vier EMN-leden gaven aan niet over een afzonderlijke kinderombudsdienst te beschikken.
- Enkele EMN-leden hebben hun kinderombudsman formeel een rol toegekend in de screening van niet-begeleide minderjarigen. In IE werd bijvoorbeeld het Bureau van de hoofdinspecteur voor asiel- en grensprocedures opgericht als onafhankelijk toezichtsmechanisme, en kreeg de kinderombudsman een adviserende rol als lid van de adviesraad. Ook CZ voorziet in de betrokkenheid van de kinderombudsman bij het toezichtsmechanisme, in overeenstemming met de screeningverordening.
- De meeste EMN-leden geven aan dat zij tijdens de screening van niet-begeleide minderjarigen geen formeel overlegmechanisme hebben met kinderombudsdiensten over het belang van het kind. In verschillende EMN-leden, zoals FI en FR, wordt deze rol toevertrouwd aan de wettelijke of tijdelijke vertegenwoordiger.
- Ook wanneer de kinderombudsman geen specifieke rol krijgt in de screening, kan hij of zij in de meeste EMN-leden nog steeds optreden binnen het kader van zijn of haar algemene mandaat, bijvoorbeeld in het kader van klachtenmechanismen, om onaangekondigde bezoeken uit te voeren of toegang te krijgen tot documenten. In NL kan de kinderombudsman bijvoorbeeld onaangekondigde onderzoeken ter plaatse uitvoeren in screeningvoorzieningen, voor zover dit redelijkerwijs noodzakelijk is voor de uitoefening van zijn of haar taken.
Voor verdere details wordt verwezen naar de hierboven bijgevoegde compilatie van antwoorden.