Ad Hoc Vraag over interoperabiliteitsautoriteiten
Deze ad hoc vraag brengt in kaart hoe EMN-leden de nationale governance voor de uitvoering van Verordeningen (EU) 2019/817 en 2019/818 hebben georganiseerd. Ze onderzoekt onder meer het mandaat, de institutionele positionering, de middelen, de duur en de toekomstige planning van de aangewezen interoperabiliteitsautoriteiten of coördinatieorganen.
Download publication
Achtergrond:
Verordeningen (EU) 2019/817 en 2019/818 hebben het EU-interoperabiliteitskader ingevoerd om de informatie-uitwisseling tussen grootschalige EU-informatiesystemen op het gebied van grenzen, migratie, asiel en veiligheid te verbeteren. Hoewel de verordeningen het technische kader en de verantwoordelijkheden van eu-LISA vastleggen, bepalen de lidstaten zelf hoe zij de governance op nationaal niveau organiseren. Gezien het transversale karakter van interoperabiliteit is doeltreffende coördinatie tussen de betrokken nationale autoriteiten essentieel. Deze ad hoc vraag onderzoekt daarom hoe lidstaten deze coördinatie organiseren, of zij een nationale interoperabiliteitsautoriteit of coördinatieorgaan hebben aangewezen, welk mandaat deze structuur heeft en hoe zij institutioneel is ingebed.
Respondenten:
22 EMN-leden, waaronder BE, hebben een openbaar antwoord op deze ad hoc vraag gegeven.
Bevindingen:
Een voorlopige analyse van de resultaten van de ad hoc vraag toont het volgende aan:
-
De meeste responderende EMN-leden hebben een nationale interoperabiliteitsautoriteit of een coördinatieorgaan aangewezen, al verschilt de concrete structuur sterk van land tot land. BE, CY, CZ, EE, ES, FI, HR, LT, LU, NL, PT, SI en SK hebben formele autoriteiten of structuren opgericht. BG, DE, HU, LV en PL beschikken niet over één enkel aangewezen orgaan en steunen eerder op bestaande interinstitutionele mechanismen, stuurgroepen of gedeelde verantwoordelijkheden. IE neemt niet deel aan Verordening (EU) 2019/817, aangezien deze gebaseerd is op het Schengenacquis, waaraan IE niet deelneemt.
-
De meeste aangewezen autoriteiten zijn niet onafhankelijk, maar maken deel uit van bredere institutionele kaders, zoals een ministerie van Binnenlandse Zaken of een gelijkaardige overheidsdienst. Dit is onder meer het geval in BE, CZ, ES, FI, FR, LT en SK. In LU is de nationale politie betrokken. PT vormt een opvallende uitzondering en meldt een onafhankelijke autoriteit met rechtspersoonlijkheid en financiële autonomie.
-
Ook de middelen die voor interoperabiliteit worden voorzien, verschillen sterk. Sommige EMN-leden beschikken over specifiek personeel en een specifiek budget voor interoperabiliteit, waaronder BE, EE, FI, FR en LU. In andere landen worden interoperabiliteitstaken geïntegreerd in bestaande IT-mandaten of worden personeel en middelen gedeeld binnen een overkoepelende autoriteit, zoals in CY, CZ, ES, HR, LT, NL, PL, SI en SK.
-
Tot slot blijkt dat sommige governance-regelingen tijdelijk zijn opgezet, vooral om de implementatiefase te begeleiden. Dit is onder meer het geval in CY, EE, FI, FR, HR, NL en SI. Andere landen, waaronder BE, CZ, ES, LT, LU, PT en SK, hebben hun autoriteit of coördinatiestructuur op permanente basis aangewezen om het verdere beheer en de toekomstige ontwikkeling van het interoperabiliteitskader te ondersteunen.
Voor meer informatie kunt u de compilatie van antwoorden hierboven raadplegen.