Staatloosheid in de Europese Unie, Noorwegen, Georgië en Servië (EMN Inform)
Deze Inform, die is geactualiseerd op basis van nationale bijdragen van 28 EMN-leden en waarnemende landen, biedt een overzicht van recente ontwikkelingen en beleidsbenaderingen op het gebied van staatloosheid, met als einddatum 31 oktober 2025. Het maakt deel uit van de EMN-platformserie over staatloosheid en bouwt voort op eerdere Informs die in 2016, 2020 en 2023 zijn gepubliceerd.
Download publication
Staatloosheid blijft zowel in Europa als wereldwijd een complexe rechts- en beleidskwestie. Volgens het rapport ‘Mid-Year Trends 2025’ van de UNHCR zijn er wereldwijd ongeveer 4,4 miljoen staatlozen, terwijl er eind 2024 naar schatting 340.000 staatlozen of personen met onbekende nationaliteit in de Europese Unie aanwezig waren. Zoals echter in eerdere publicaties van het EMN is benadrukt, blijven vergelijkbare statistische gegevens beperkt vanwege verschillen in databronnen en de moeilijkheid om staatlozen te onderscheiden van personen met onbekende nationaliteit. In deze context blijft staatloosheid aanzienlijke uitdagingen vormen voor de getroffen personen wat betreft de toegang tot grondrechten, rechtszekerheid en administratieve bescherming.
Tegen deze achtergrond biedt deze Inform een vergelijkende analyse van de nationale wettelijke en beleidskaders inzake staatloosheid in de deelnemende landen, waarbij recente ontwikkelingen, hardnekkige hiaten en verschillen in de praktijk in kaart worden gebracht, met het oog op het ondersteunen van een op empirische gegevens gebaseerde beleidsdiscussie.
Enkele van de belangrijkste bevindingen van deze Inform worden hieronder weergegeven:
- 24 EU-lidstaten plus Noorwegen, Georgië en Servië zijn partij bij het Verdrag van 1954 betreffende de Status van Staatlozen, terwijl 21 EU-lidstaten plus Noorwegen, Georgië en Servië partij zijn bij het Verdrag van 1961 ter Beperking der Staatloosheid. De afgelopen jaren zijn er steeds meer landen toegetreden, waarbij sommige lidstaten hun ratificatieproces hebben afgerond of voortgezet.
- Er bestaat geen geharmoniseerde aanpak in alle EU-lidstaten voor procedures ter vaststelling van staatloosheid, die variëren van specifieke administratieve procedures tot algemene administratieve of gerechtelijke procedures en ad-hocregelingen.
- In de meeste lidstaten houdt de erkenning van staatloosheid niet direct de afgifte van een verblijfsvergunning in, wat betekent dat erkende staatlozen niet automatisch een verblijfsrecht krijgen en op andere rechtsgronden een aanvraag moeten indienen om hun verblijf te regulariseren.
- Toegang tot werk, onderwijs, gezondheidszorg en sociale bijstand hangt niet af van de erkenning van staatloosheid op zich, maar van de verblijfsstatus, waardoor staatlozen in een situatie van rechtsonzekerheid terecht kunnen komen wanneer er geen verblijfsvergunning wordt verleend.
- De meeste lidstaten bieden bepaalde waarborgen om te voorkomen dat kinderen die op hun grondgebied worden geboren, staatloos worden, vaak door onder bepaalde voorwaarden het ius soli toe te passen of door naturalisatie te vereenvoudigen, maar slechts ongeveer de helft beschikt over uitgebreide waarborgen.
- Over het algemeen bestaat er geen specifieke procedure voor de vaststelling van staatloosheid die is afgestemd op de specifieke kwetsbaarheden van staatloze, niet-begeleide minderjarigen, hoewel voogdij en rechtsbijstand doorgaans wel worden geboden in het kader van bestaande procedures.
- In de meeste lidstaten zijn er weinig of geen regelingen voor kinderen die onderweg naar de EU worden geboren om in het land van aankomst een geboorteakte of een gelijkwaardig document te verkrijgen.
Voor meer details, lees de Inform in de bijlage hierboven.