Veilige landen van herkomst en veilige derde landen (EMN Inform)

Deze Inform brengt de nationale benaderingen van de concepten "veilig land van herkomst" en "veilig derde land" in kaart, in de context van de Verordening asielprocedures die vanaf juni 2026 van toepassing is. Het vergelijkt wetgeving, beleid en praktijken, inclusief het gebruik van nationale lijsten, ad-hoc beoordelingen en versnelde asielprocedures. De Inform is opgesteld op basis van bijdragen van 26 EMN-leden en waarnemende landen.

Deze Inform heeft betrekking op het evoluerende juridische kader van de EU voor de concepten 'veilig land van herkomst' ('Safe Country of Origin' of SCO) en 'veilig derde land' ('Safe Third Country' of STC) bij de beoordeling van verzoeken om internationale bescherming.

Totdat de Verordening asielprocedures (EU) 2024/1348 in juni 2026 van kracht wordt, worden deze concepten gereguleerd door Richtlijn 2013/32/EU (herschikking van de procedurerichtlijn). Deze richtlijn stelt de criteria en procedurele waarborgen vast voor het gebruik ervan, inclusief de mogelijkheid om veilige landen aan te wijzen en versnelde procedures of niet-ontvankelijkheidsprocedures toe te passen. In de context van de komende hervorming, die wijzigingen introduceert in de aanwijzingscriteria, het gebruik van lijsten op EU-niveau en procedurele regels, blijven de lidstaten diverse nationale benaderingen hanteren. Dit maakt een vergelijkende analyse van SCO- en STC-praktijken bijzonder relevant.

Hieronder enkele bevindingen van deze inform:

  • Negentien landen gaven aan een nationale lijst van SCO's te gebruiken, terwijl Finland en Portugal het concept op case by case basis toepassen. In de meeste landen worden SCO-lijsten opgesteld en vastgesteld door overheidsinstanties of agentschappen, meestal via ministeriële of administratieve besluiten. In drie landen is het parlement betrokken via het reguliere wetgevingsproces.
     

  • Zes landen hebben nationale lijsten van STC's aangenomen, terwijl 13 landen de STC-beoordeling op ad-hocbasis uitvoeren. In landen die nationale lijsten gebruiken, wijzen dezelfde institutionele actoren zowel de SCO's als de STC's aan.
     

  • Twintig landen passen versnelde procedures toe op aanvragen uit SCO's, met beroepstermijnen variërend van één week tot één maand. Verschillende landen sluiten niet-begeleide minderjarigen uit van versnelde verwerking, en sommige beperken het gebruik ervan voor kwetsbare aanvragers.
     

  • Bij het toepassen van het STC-concept hebben sommige landen aanvullende criteria ingevoerd die verder gaan dan het EU-recht, zoals naleving van internationale mensenrechtennormen of het vermogen van de aanvrager om tijdens de procedure in het derde land te verblijven.
     

  • Een klein aantal landen hanteert uitzonderingen voor SCO's of STC's, wat risico's weerspiegelt die verbonden zijn aan specifieke regio's of categorieën aanvragers.
     

  • Geen van de landen die het STC-concept toepassen, vraagt specifieke toezeggingen en/of garanties van landen met betrekking tot de behandeling van overgedragen personen bij aankomst.
     

  • Zes landen meldden uitdagingen bij de toepassing van het STC-concept. Deze omvatten: rechtszaken over de aanwijzing van specifieke landen als veilig, het vaststellen van een redelijke band tussen een aanvrager en het betreffende derde land, en de herovername (readmissie) van aanvragers door STC's.
     

  • Acht landen maakten melding van goede praktijken bij de toepassing van de SCO- en STC-concepten, met name met betrekking tot de identificatie van kwetsbare aanvragers en de beoordeling van claims. Dit omvat onder meer betere training voor casemanagers, aangepaste interviewvormen en aanpassingen aan de onderzoeksprocedures.

De volledige Inform vindt u hierboven. Raadpleeg voor meer gedetailleerde landspecifieke informatie de ad hoc vraag op basis waarvan de Inform werd opgesteld.

Publication Date:
do 16 apr 2026
Geografie:
Hoofdthema:
Publicatietype:
Opdrachtgever:
Trefwoorden: