EMN België brengt voor zijn policy event 2026 de belangrijkste stakeholders op het gebied van asiel en migratie samen

Op 26 mei 2026 bracht EMN België meer dan 130 stakeholders uit de asiel- en migratiesector samen. Tijdens dit evenement werd ook het Belgisch Asiel- en Migratieoverzicht 2025 uitgebracht, waarin de belangrijkste ontwikkelingen op het gebied van asiel en migratie in België gedurende het voorbije jaar worden belicht. Het diverse publiek van experts nam deel aan reflecties en discussies over recente trends binnen het domein, evenals over een versterkte samenwerking binnen het Belgische asiel- en migratiesysteem. De dag omvatte bovendien parallelsessies over belangrijke thema’s, naast informele netwerkmomenten om contacten te leggen en nieuwe samenwerkingen te stimuleren.

Het policy event werd geopend met een welkomstwoord van het EMN België-team, gericht aan een groot publiek van deskundigen, waaronder vertegenwoordigers van ministeriële kabinetten, asiel-, migratie- en opvanginstanties, regionale administraties, internationale organisaties, maatschappelijke organisaties en de academici.

De ochtendsessie begon met een keynote van Thomas Huddleston, onderzoeker aan de Universiteit van Luik (ULiège). Hij gaf een inzichtelijke toelichting bij het Belgisch Asiel- en Migratieoverzicht 2025 en presenteerde de belangrijkste bevindingen inzake asiel en migratie, evenals resultaten uit vergelijkend onderzoek. Daarnaast deelde hij kort de eerste resultaten van een enquête die BPACT vorig jaar uitvoerde over de opvattingen van de Belgische bevolking over migratie. Zijn presentatie benadrukte het belang van robuuste gegevens en vergelijkend onderzoek voor evidence-based beleidsvorming en voor een beter begrip van migratietrends en publieke percepties.

Na de keynote vond een sessie plaats over geïntegreerde aanpakken en samenwerking binnen het Belgische asiel- en migratiekader. Deze werd ingeleid door Pieter-Jan Van Bosstraeten, attaché op het kabinet van de minister van Asiel en Migratie, die wees op het toenemende tempo van de Europese ontwikkelingen inzake asiel en migratie en hun feitelijke impact op de organisatie van de samenwerking in België. Marie Vanderveken (FOD Binnenlandse Zaken), Peter Van Costenoble (FOD Binnenlandse Zaken), Bieke Vens (FOD Binnenlandse Zaken), Bart Theunis (CGVS) en Tim Lagrange (Fedasil) namen deel aan het panel dat volgde, gemodereerd door Luc Leboeuf (ULiège). De discussie ging in op het belang van versterkte samenwerking en een geïntegreerde aanpak, bestaande kaders en initiatieven, succesfactoren en uitdagingen, evenals toekomstige kansen. Daarbij werd gebruikgemaakt van concrete voorbeelden, waaronder de uitvoering van het EU Migratie- en Asielpact, de werkzaamheden van de cel ketenmonitoring en de oprichting van de toekomstige Federale Overheidsdienst Migratie. Het panel bracht complementaire perspectieven samen, van het Europese tot het nationale niveau, van coördinerende en strategische invalshoeken tot operationele ervaringen vanuit de asiel- en opvanginstanties.

Vervolgens namen aanwezigen deel aan verschillende parallelsessies:

  • Entry Exit System (EES): efficiënter, eenvoudiger en sneller? Een stand van zaken na de laatste stempel: Deze sessie omvatte presentaties van een specialist van de afdeling Grenscontrole van de Dienst Vreemdelingenzaken en een specialist van de Federale Politie. De experts bespraken de praktische implementatie en de eerste resultaten van het Entry/Exit System (EES). Zij benadrukten hoe biometrische registratie de toegang tot reis- en verblijfsgegevens voor grensautoriteiten heeft vereenvoudigd en tegelijkertijd meer transparantie biedt aan derdelanders over hun toegestane verblijfsduur. De eerste zeven maanden werking tonen echter aan dat verhoogde veiligheid en bijkomende registratievereisten niet automatisch leiden tot snellere grensoverschrijdingen, aangezien extra controlemaatregelen een impact hebben op de passagiersstromen. Hoewel de technische overgang van fysieke stempels naar digitale biometrie voltooid is, vereist het systeem voortdurende bijsturing om technische verstoringen op te vangen en toekomstige ontwikkelingen zoals ETIAS en bredere interoperabiliteit voor te bereiden. Daarnaast heeft het EES geleid tot een verschuiving van de werklast eerder dan een eenvoudige vermindering ervan. De administratieve complexiteit in de backoffice is toegenomen door de noodzaak van nauwkeurige gegevenscorrecties, hoewel het systeem tegelijk sterkere instrumenten biedt in de strijd tegen irreguliere migratie. Uiteindelijk fungeert de effectiviteit van het systeem als een “flywheel” voor interoperabiliteit: de integratie met andere Europese databanken (zoals VIS en ETIAS) maakt een efficiëntere detectie van identiteitsfraude en “overstayers” mogelijk, op voorwaarde dat de technische koppelingen naadloos functioneren. Na de presentaties volgde een discussie met vragen en opmerkingen, die bijkomende inzichten opleverde en hielp om deze conclusies verder te verfijnen.
  • Syrië: bescherming en terugkeer in een post-conflictcontext: Deze sessie onderzocht bescherming en terugkeer naar Syrië in een veranderende post-conflictcontext, met bijdragen van het CGVS, Fedasil en IOM. Het CGVS presenteerde recente asieltrends voor Syrische onderdanen in België en wees erop dat tussen 2011 en 2025 meer dan 52.000 Syrische asielaanvragen werden geregistreerd, met een piek in 2015. Van de aanvragers was 46% man en 54% vrouw. Daarnaast werd gewezen op de sterke daling van de beschermingspercentages in 2025 na een herbeoordeling van de beschermingsnoden. IOM presenteerde de resultaten van een studie naar de mobiliteitsintenties van Syriërs in België, uitgevoerd in opdracht van IOM België en medegefinancierd door de Europese Unie en Fedasil. Op basis van 351 telefonische enquêtes en 20 diepte-interviews bleek dat 45% van de bevraagde Syriërs bereid was terug te keren, maar dat slechts 7% dit binnen de komende twaalf maanden van plan was. De studie identificeerde belangrijke belemmeringen voor terugkeer, waaronder veiligheidszorgen, economische instabiliteit, een gebrek aan huisvesting, beschadigde infrastructuur, ontbrekende documenten en onopgeloste kwesties inzake huisvesting, grond en eigendom. Fedasil presenteerde de Belgische ondersteuning voor vrijwillige terugkeer en re-integratie naar Syrië, waaronder verhoogde financiële steun gefinancierd via nationale bijdragen en het Europese Return and Reintegration Programme, evenals een degressief ondersteuningsmodel dat vroegtijdige vrijwillige terugkeer moet stimuleren. De discussie benadrukte dat financiële steun gecombineerd moet worden met begeleiding, individuele re-integratieplanning en realistische verwachtingen, aangezien duurzame re-integratie afhankelijk is van veiligheid, bestaansmiddelen en toegang tot diensten. Er werden ook vragen gesteld over het mogelijke gebruik van “go and see”-bezoeken en over de impact van verplichte terugkeerbeslissingen op personen die vrijwillige terugkeer- en re-integratieondersteuning ontvangen.
  • De (vroege) integratie van verzoekers om internationale bescherming in Wallonië: Deze sessie bracht experts samen van Fedasil, het Regionaal Integratiecentrum van de Provincie Luxemburg (Centre Régional d'Intégration de la province de Luxembourg) en het Rode Kruis. Samen onderzochten zij het evoluerende concept van vroege integratie en gingen zij hierover rechtstreeks in gesprek met de deelnemers. De discussie maakte duidelijk hoe het vroeger duidelijke onderscheid tussen opvang en integratie steeds meer vervaagt dankzij innovatieve initiatieven rond vroege integratie. Daarbij werd benadrukt dat beleid en projecten moeten vertrekken vanuit de behoeften van de verzoekers, zodat zij beschikken over de nodige instrumenten, informatie en middelen om echte autonomie te bereiken. Vroege integratie werd voorgesteld als een proces dat verder gaat dan economische integratie alleen en dat naast tewerkstelling ook sociale en culturele participatie omvat, evenals betekenisvolle interacties met de ontvangende samenleving.
  • Het concentrische model voor arbeidsmigratie in beleid en praktijk: Het advocatenkantoor Fragomen, gespecialiseerd in economisch migratierecht, presenteerde de bevindingen van twee EMN-studies (hier en hier), waarna een discussie volgde met experts van het Regionaal Integratiecentrum van de Provincie Luxemburg (Centre Régional d'Intégration de la province de Luxembourg), de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding (VDAB) en de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel. De sessie onderzocht de praktische toepassing van het Belgische concentrische model en toonde aan hoe de complexe institutionele structuur van België aanzienlijke uitdagingen met zich meebrengt, waaronder regionale verschillen in de erkenning van kwalificaties en de voorwaarden voor arbeidsvergunningen, evenals tekorten aan middelen voor samenwerking. Er bestaat een aanzienlijk onbenut arbeidspotentieel, met name onder personen met een migratieachtergrond, maar er blijft een mismatch bestaan tussen vaardigheden en beschikbare jobs. Dit vereist een betere erkenning van competenties, bijkomende opleiding en een grotere betrokkenheid van werkgevers. Het succes van het model hangt bovendien samen met een afstemming op bredere sociaaleconomische beleidsdomeinen zoals huisvesting en onderwijs. Praktijkdeskundigen wezen ook op bijkomende nuances, zoals interne aanwervingspraktijken en de toenemende inzet van gedetacheerde werknemers, die buiten het toepassingsgebied van het model vallen.
  • Minderjarige slachtoffers van mensenhandel en/of mensensmokkel met verzwarende omstandigheden in België: beter begrip voor een betere aanpak: Deze sessie, met bijdragen van Myria, de Federale Gerechtelijke Politie en Esperanto, had tot doel beter te begrijpen waarom, ondanks het hoge aantal minderjarigen dat een aanzienlijk risico loopt om slachtoffer te zijn of te worden, slechts een beperkt aantal van hen daadwerkelijk wordt gedetecteerd, doorverwezen en begeleid door gespecialiseerde actoren, waaronder Esperanto, Meza en de drie gespecialiseerde centra. Daarom werden de belangrijkste obstakels binnen de keten van detectie, doorverwijzing en begeleiding onderzocht. De deelnemers identificeerden de vroege detectie en herkenning van minderjarige slachtoffers van mensenhandel en/of mensensmokkel met verzwarende omstandigheden als een fundamentele uitdaging, aangezien deze eerste stap bepalend is voor de verdere identificatie, doorverwijzing en ondersteuning. Het systeem ondervindt nog steeds moeilijkheden om deze slachtoffers effectief te detecteren door factoren zoals digitalisering, de vervagende grens tussen slachtoffer en dader en belemmeringen bij de informatie-uitwisseling. Eerste contacten met (potentiële) slachtoffers blijven cruciaal, maar hun effectiviteit hangt af van voldoende vaardigheden, middelen, opleiding, tijd, institutionele capaciteit en engagement. De sessie benadrukte verder de noodzaak om te evalueren of de bestaande opvangstructuren nog voldoende aangepast zijn aan de veranderende profielen van jonge slachtoffers, met name degenen die opvang weigeren, kampen met ernstige verslavingen of gewelddadig gedrag vertonen. Daarbij werd gewezen op het belang van laagdrempelige straathoekdiensten als eerste aanspreekpunt. Tot slot werd geconcludeerd dat een gedeelde verantwoordelijkheid van alle betrokken actoren – waaronder politie, magistratuur, ngo’s en andere partners – essentieel is om het bewustzijn te vergroten en de detectie, doorverwijzing en begeleiding van minderjarige slachtoffers te verbeteren.
  • Uitsluiting, weigering en intrekking van internationale bescherming voor plegers van ernstige misdrijven: artikel 1F, openbare orde en nationale veiligheid: Experts van het CGVS wezen op de juridische complexiteit van het weigeren of intrekken van de vluchtelingenstatus om redenen van openbare orde. Zij benadrukten dat twee cumulatieve voorwaarden afzonderlijk moeten worden vastgesteld: enerzijds een bijzonder ernstig misdrijf en anderzijds een reële, actuele en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel maatschappelijk belang. Een loutere veroordeling volstaat niet; een individuele beoordeling is essentieel. Bovendien leidt de intrekking van de vluchtelingenstatus niet automatisch tot het verlies van de hoedanigheid van vluchteling zelf, aangezien bescherming tegen refoulement blijft gelden zolang het risico op vervolging voortduurt. De experts benadrukten dat het juridische kader nog volop in ontwikkeling is. Het CGVS moet nauwlettend opvolgen hoe rechtbanken, en in het bijzonder de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (RvV), hierover oordelen. Rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie en van de RvV toont aan dat onvoldoende motivering vaak leidt tot vernietiging van beslissingen, waardoor een strenge norm wordt opgelegd aan de autoriteiten. Het vinden van een evenwicht tussen staats- en maatschappelijke belangen enerzijds en de bescherming van individuele rechten anderzijds blijft een bijzonder delicate uitdaging. Daarnaast wezen de CGVS-experts op de moeilijkheden om alle noodzakelijke informatie te verkrijgen voor een grondige dossierbeoordeling, zowel nationaal (strafregisters, detentieverslagen, psychiatrische evaluaties of toezicht tijdens proeftijd) als internationaal (veroordelingen of gerechtelijke procedures in andere staten). Zonder deze informatie blijft de beoordeling van een reële en actuele bedreiging - een noodzakelijke voorwaarde voor elke beslissing - onvermijdelijk onvolledig. Daarom werd een versterkte structurele informatie-uitwisseling en samenwerking tussen de relevante actoren naar voren geschoven als een dringende noodzaak.

Voor meer informatie over de hierboven vermelde keynote en parallelsessies verwijzen wij naar de onderstaande PowerPointpresentaties. Wenst u foto’s van het evenement te bekijken, dan kunt u terecht op deze pagina.

Het team van EMN België voelt zich vereerd en dankbaar te kunnen rekenen op zo’n rijk en divers netwerk van experts. Wij danken ieder van u oprecht voor uw actieve en essentiële bijdrage aan de discussies tijdens dit beleidsevenement.

Publicatiedatum:
Geografie:
Trefwoorden:
Hoofdthema:
Opdrachtgever:
Soort nieuws: